Een blog

X: ‘How complex is the idea?’

Y: ‘It’s simple enough.’

X: ‘No idea is simple when you need to plant it in somebody else’s mind.’

(Inception; 2010)

 

Blog 6. De toekomst voorspelen: future cooking

Wat als data uit het verleden input zouden zijn van een virtueel leven? Het inhalen van de toekomst, ook van een verloren toekomst, is lang beschouwd vanuit het perspectief van lichtsnelheid. Zolang een foton niet sneller kan reizen dan de lichtsnelheid, is reizen naar een toekomstige realiteit onmogelijk. Maar wat als we mensen in en om een organisatie, uit het hier en nu, de toekomst van die constellatie in een virtuele versie daarvan laten voorspelen en daarmee de toekomst ervan sneller laten creëren dan dat die in een normaal tempo in de fysieke wereld zou zijn ontstaan? Komt tijdreizen dan niet binnen handbereik? Met behulp van een virtuele snelkookpan, a future cooker? Kan de toekomst naar ons toe worden gehaald, teneinde er in het heden iets mee te doen om zo die toekomst in ons voordeel te verbeteren? De toekomst virtueel ervaren en daaruit wijzer terugkeren naar je status in het heden, waar je reis begon? ‘Het leven is een spel’ en dus kunnen we aspecten ervan voor- of naspelen. Het aantal keuzes dat de ‘speler’ daarbij heeft, is in eerste instantie beperkt. Maar is dit in het echte leven niet ook zo? De vrijheid om in de echte wereld een oneindig aantal keuzes te hebben, is immers een illusie. Vrijheid kent vele praktische, juridische en sociaal psychologische drempels. Door aanpassing, patroonherkenning en waarschijnlijkheidsberekening wordt een virtuele wereld er steeds beter in om alle haalbare scenario’s voor te rekenen en met de meest waarschijnlijke alternatieven rekening te houden. Dat tijd en plaats de speler daarin niet langer beperken, ligt voor de hand. En omdat alles wat ons normaliter fysiek vertraagt, in een virtuele omgeving niet bestaat − behalve als de speler dat wil − kan hij moeiteloos op topsnelheid door de tijd reizen. Hiermee is een reëel voorgespeelde toekomst, bij voorkeur samengespeeld met alle andere beïnvloeders, al een virtueel feit voordat die vergelijkbare toekomst begonnen is. Omdat een computerprocessor alle alternatieven parallel doorrekent − terwijl mensen op een voor hen natuurlijke wijze, serieel en met korte tussenpozen door een virtuele omgeving bewegen − is de software de speler altijd voor. Hierdoor ontwikkelt de omgeving zich logisch (zoals dat in werkelijkheid ook zou gebeuren), zonder de vrije inbreng of de mogelijkheid tot irrationele keuzes van de speler weg te nemen. Kan het hier geschetste beeld nu ook echt worden gerealiseerd ? Het antwoord op die vraag is bevestigend. We hebben immers al veel. Intelligente analyse, patroonherkenning en voorspelling (intelligence en forecasting) gebruiken we zelfs al erg lang. En grote hoeveelheden data (big data) kunnen daarbij zo goed als real time worden geanalyseerd. De toekomst wordt vervolgens via een model van ingevulde parameters en kansberekening bepaald. Wanneer grillig menselijk gedrag een rol speelt, is dat ook nodig.  Mensen maken de toekomst immers zelf, as they go along.  Machine-intelligentie beweegt hierin mee en bestaat al. ‘Ik speelde gisteren mijn toekomst voor.’ Met elkaar zien we dan een toekomst van bijvoorbeeld een organisatie en haar omgeving ontstaan. Niet voorgekookt, maar tot stand gekomen door mee te bewegen met de mensen erin. Net als het echte leven. Het echte spel. Door het dagelijks natuurlijk bewegen van mensen in meerdere deelrealiteiten, kan het voorgaande nu ook echt worden ingevuld. Eerder kon dat niet, maar thans is het geen theoretische bespiegeling meer. De mensheid heeft vanuit evolutionair oogpunt immers in een flits de overstap gemaakt naar een werkelijkheid waarin zich parallel aan het fysieke bestaan een virtuele versie van dat bestaan heeft ontwikkeld. Waar vijftig jaar geleden gedacht werd dat ‘ander leven’ zich buiten de dampkring bevond, blijkt ander leven niets anders te zijn dan enen en nullen op een schijfje silicium, het meest voorkomende element in de aardkorst na zuurstof.

  

Blog 5. Transrealiteit 

Transrealiteit is een denkkader waarin sprake is van gemengd gebruik van deelrealiteiten. Het verschijnsel dus dat fysieke en virtuele contexten min of meer gestuurd naar elkaar toe groeien, of met elkaar verbonden worden. Het accent bij transrealiteit ligt op de bewuste overlapping of verbinding. Voorbeelden daarvan zijn mensen, al dan niet in de vorm van virtuele avatars, die bewust van de ene naar de andere deelrealiteit worden gestuurd. Of het real time verbinden van data en intelligentie van de ene met de andere deelrealiteit. Daarbij is het aantal virtuele deelrealiteiten inmiddels veel omvangrijker dan het aantal fysieke deelrealiteiten. Transrealiteit vormt zo als het ware de brug tussen deelrealiteiten en is dus gebaseerd op de notie van reality mixing. Transrealiteit gaat niet zozeer over techniek. In essentie heeft dit fenomeen altijd al bestaan, want mensen hebben immers altijd al in meerdere deelrealiteiten geleefd. Dat was echter van een heel andere orde dan de intensiteit waarmee dat nu mogelijk is, en het enorme potentieel dat nog voor ons ligt. Het zijn dan ook deze mixen die de kern vormen van grote veranderingen de komende dertig jaar. Om hier meer vat op te krijgen, wordt de volgende wetmatigheid geïntroduceerd: The number of transreal connections doubles approximately every two years (Law of Transreality).
Deze wetmatigheid is logisch in de context van een generieke wet die explosie en implosie van verschijnselen als één geheel ziet. De kern hiervan is dat als één nieuw basisconcept aan de wereld wordt toegevoegd, dit leidt tot een explosie van mogelijkheden, vormen en toepassingen daarvan, gevolgd door een exponentieel sterkere groei via implosie, zijnde het combineren van het concept in al zijn vormen met andere, reeds bestaande verschijnselen. Dit lijkt al zo te werken sinds het jachtgereedschap uit de prehistorie, maar bijvoorbeeld toegepast op chiptechnologie, en meer in het bijzonder op grootschalig gebruik van computers, zien we dat in de jaren tachtig de personal computer (pc) zijn intrede doet. Aanvankelijk bedoeld als een productiviteitsconcept voor toepassing op het werk, wordt de basisuitvoering van deze pc steeds sneller, steeds beter en steeds vriendelijker. Vervolgens komt hij ook beschikbaar voor toepassing thuis en ontstaan tevens allerlei vormen, zoals file-servers, lokale netwerken en laptops. Dat is de weg van de explosie: een groei van variaties op hetzelfde thema. In korte stappen volgt dan − deels parallel − de implosie. Pc’s worden gecombineerd met andere, reeds bestaande variaties van schermen, kabels, routers, printers, scanners en kopieermachines en worden verrijkt met steeds meer software-applicaties voor gebruik als database, communicatiemiddel en creatief hulpmiddel, voor zowel op kantoor als thuis. Op basis van de eerste implosie volgt een tweede. Pc en hardware en software vormen samen met het schoolbord een digiboard. Mobile phone en pc worden samengevoegd tot twee nieuwe apparaten: de tablet en de smartphone. In combinatie met gps ontstaan voor een smartphone wederom talloze nieuwe, mobiele mogelijkheden. Samen met de software van pc’s worden apps gecreëerd. Lichaam (vingers, stem en hersenen) wordt één met het scherm en Facebook wordt intussen één met de fysieke werkelijkheid, doordat winkels de hoeveelheid ‘likes’ op hun Facebookpagina letterlijk op de betreffende, fysieke producten in de winkel plakken. En zo nestelt een verschijnsel zich via explosie en implosie in een samenleving, waar nieuwe generaties zich niet meer een leven zonder dat verschijnsel kunnen voorstellen. Onze ‘bubble’ (onze perceptie van plaats, tijd en mogelijkheden) is op die manier in de geschiedenis met kleine stapjes gegroeid (explosies) en met steeds snellere stappen verrijkt (implosies). Dit meertraps multiplier model van explosie en implosie verklaart ook waarom de samenleving in de laatste eeuwen steeds sterker is veranderd dan in al die tijd daarvoor.
De mens zet in deze periode van zijn bestaan wel heel snel een stap naar een andere mindset, waarbij wordt geleefd in en geschakeld tussen steeds meer deelrealiteiten. Een effect daarvan is dat een steeds groter deel van de tijd wordt doorgebracht met een beeldscherm. Een ander effect is dat mensen zich in groepen minder bewust zijn van elkaar, ofwel ieder in een andere deelrealiteit zitten. Maar er ontstaan ook hechte vriendschappen tussen mensen die in een virtuele context op internet bijvoorbeeld elkaar het leven hebben gered in een adventure game. Onlangs kondigde een speler van World of Warcraft zijn huwelijksplannen nog aan als ‘time to unlock my 500th game achievement: getting a wife’. Zo kunnen nog vele voorbeelden gegeven worden, maar in slechts enkele jaren zien we dit soort veranderingen in gedrag van individuen en groepen. Een interessante vraag is dus hoe we dit vanuit evolutionair perspectief moeten beoordelen. Gaat het hier om een fundamentele stap in de evolutie van de mens − want het leven wordt anders geleefd dan voorheen − die zo snel gaat dat de mens geen gelegenheid heeft tot biologische adaptatie? Ons gezichtsvermogen is tenslotte ontwikkeld in een tijd dat er nog geen beeldschermen bestonden, ons geheugen in een tijd dat er nog geen externe opslag was, en ons brein is gevormd in tijden waarin nog niemand had gehoord van meerdere realiteiten. Of is dit een enorme overschatting van wat er aan de hand is, en is het een onzinnige vraag? Want een virtuele context is in veel opzichten een kopie van de analoge en fysieke wereld. Bestanden doen we immers in ‘mappen’, e-mail is een variant van de brievenpost die we al heel lang kennen, en in de meeste games wordt een werkelijkheid naar aards model nagebootst. Een virtuele context is dan wel open en zelf maakbaar, maar paradoxaal genoeg daardoor juist aangepast aan de menselijke eigenschappen en werkelijkheden. De gedachte dat sprake is van een zelf te creëren virtuele wereld, is ook weer sterk te relativeren door te wijzen op het gedachtegoed ten aanzien van de maakbare samenleving, zoals we dat kennen uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Daarbij bleek dat (door de overheid) bedachte concepten op langere termijn niet echt houdbaar waren. Het gaat zoals het gaat… De vraag kan echter ook andersom worden gesteld: hoe maakbaar de mens is wanneer je start vanuit een virtuele context? Voor organisaties en overheden doet zich, in het verlengde hiervan, de vraag voor hoe ze zich in zo’n virtuele context dan zouden moeten ontwikkelen. De mens-machine-interactie gaat immers niet alleen meer van mens naar machine (‘die moet gewoon doen wat ik wil’), maar thans ook steeds vaker van machine naar mens. Als assistent, als tweede identiteit, als tegenspeler of als raadgever.
 
    

Blog 4. Deelrealiteiten

Vanuit het individu gezien is realiteit een optelsom van interpretaties van de deelrealiteiten waar die persoon mee te maken heeft. Een mentale (re)constructie, die ervaren wordt als echt, ofwel de als één geheel beleefde realiteit. Deze interpretaties worden gevoed door sensoren, de zintuigen, die de wereld omzetten in signalen die de basis vormen voor mentale constructen. Binnen deze constructen wordt vervolgens meer of minder bewust een onderscheid gemaakt tussen wat echte werkelijkheid en bijvoorbeeld fantasie of fictie is. Verschillende mensen kennen aan hun deelrealiteiten ook verschillende waarden toe. Een voorbeeld is dat oudere generaties vaak een onderscheid maken tussen de ‘echte’, fysieke werkelijkheid en een digitale, virtuele context, terwijl jongere generaties het veel meer als een combinatie van deelrealiteiten ervaren, binnen één (belevings)wereld, een wereld met onderlinge koppelingen, langs welke allerlei cross-overs plaatsvinden. Beide generaties kennen dus op een of andere manier een eigen gewicht toe aan verschillende ‘soorten’ realiteiten. Zoals Einstein al zei: ‘Het geloof in een externe wereld, onafhankelijk van het waarnemend subject, is de basis van alle natuurwetenschap. Omdat evenwel zintuiglijke waarneming slechts indirect informatie geeft van deze externe wereld, kunnen we deze laatste alleen vatten met speculatieve middelen. Dientengevolge kan onze notie van fysieke realiteit nooit finaal zijn.’ Aan deze laatste zin van Einstein kan inmiddels dus ook de virtuele context worden toegevoegd. Deelrealiteiten bestaan naast elkaar en ieder individu creëert daaruit een unieke, eigen mix. Door de toename van virtuele contexten groeit ook dit aantal deelrealiteiten, waardoor ieder individu steeds unieker wordt ten opzichte van andere individuen. In het verleden was het aantal deelrealiteiten waarin men ‘verbleef’, immers veel beperkter, waardoor de mix ook minder uniek was. Door ‘connected people’ worden realiteiten inmiddels gedeeld over de hele wereld. Gelijkgestemden (per thema) vinden elkaar gemakkelijk en tussen deelrealiteiten vinden vele cross-overs plaats. Het verschil met het pre-internettijdperk is dus vooral dat het ‘realiteitenpotentieel’ zo is toegenomen en dat het individu daarin een geweldige keuzevrijheid heeft. Niet alleen om te bepalen aan welke deelrealiteiten hij of zij wil deelnemen, maar ook om daar continu tussen te schakelen en deze deelrealiteiten onderling al dan niet te verbinden. Het gaat daarbij steeds meer om deelrealiteiten die in alle opzichten grensoverschrijdend of zelfs grenzeloos zijn. Het is niet voor niets dat ‘a virtual kind of reality, a better kind of reality’ steeds meer een begrip aan het worden is. Een praktisch gevolg is dat we de begrenzingen van (doel)groepen, landen, branches en generaties, zoals we die traditioneel gewend zijn, steeds meer zullen overschrijden en ze op een gegeven moment niet meer als begrenzing zullen ervaren. Daarbij zullen deelrealiteiten die voor een individu toegevoegde waarde hebben, meer tijd en aandacht verkrijgen dan deelrealiteiten die daar een minder krachtige bijdrage aan leveren. De ‘realiteitenconcurrentie’ zal de komende jaren dan ook sterk groeien en is een belangrijk gegeven voor bedrijven, organisaties en overheden. Vanuit marketingperspectief is het oude denken in hokjes met doelgroepen dan ook aan het verdwijnen. De nieuwe werkelijkheid is dat we te maken krijgen met miljarden mensen met een eigen ‘reality mix’. IT-trends ondersteunen het idee van zo’n mix van deelrealiteiten al langer:

– Mobiele taken worden meteen uitgevoerd, of we nu in een winkelcentrum staan of met iemand zitten te praten in een café.
– Consumenten zijn geneigd eerder iets te kopen op hun tablet of smartphone dan op hun desktop-pc of laptop.
– Consumenten zijn van mening dat productinformatie in een winkel sneller wordt gevonden via de smartphone dan via een medewerker. 
– Smartphone gebruikers zetten het persoonlijke smartphone-abonnement op het werk in om te communiceren en te plannen.
– Mobiele netwerkdekking is een van de belangrijkste redenen voor een tevreden stadsleven.
– Consumenten maken internet echt mobiel door altijd en overal toegang tot internet te willen hebben.
– Mensen willen weten waar iemand zich bevindt.
– Mensen bekijken social media tijdens het kijken naar video of tv.
– Jonge mensen brengen hun eigen technische ervaring mee in de klas. Hierdoor wordt verandering in onderwijs van onderaf aangedreven.
– Connectiviteit verandert de vooruitzichten voor kinderen op een wereldwijde schaal. 
 
  

Blog 3. Digitaal spiegelbeeld

In feite is het heel bijzonder dat uiteindelijk alles wat op onze planeet aanwezig is, een digitaal spiegelbeeld heeft of soms zelfs alleen nog maar virtueel bestaat en bij wijze van spreken ‘op een computer geboren is’. Virtueel is hier bedoeld als digitale technologie die gebruikmaakt van meerdimensionale beelden en geluiden en/of intelligente functies en interacties, teneinde een virtuele projectie of schijnbaar levende representatie te genereren van bestaande (of denkbare) non-virtuele zaken, inclusief levende zaken en concepten. De snelheid waarmee de samenleving steeds digitaler wordt en mensen zich tot een soort virtualisme bekeren, is de laatste decennia enorm. En we zitten er middenin. Hoe verbaasd was u toen u voor het eerst een navigatiesysteem gebruikte, waarop u zichzelf zag bewegen in een landschap, als was u een virtuele vogel boven het betreffende gebied? Hoe snel was u daar niet aan gewend? En lijkt de avatar uit die role-playing game niet op een virtuele versie van uzelf en lijkt hij u ook niet steeds beter te kennen? En wat dacht u toen uw digitale bloeddrukmeter alle metingen zelf opsloeg en ze rechtstreeks naar uw huisarts stuurde, als was het uw virtuele assistent? Of toen uw digitale fototoestel uw potentieel bewogen foto gewoon zelf, als een soort virtueel statief, corrigeerde tot een haarscherpe plaat? De verwondering duurt meestal maar kort, het went snel. Dat een dokter in de VS een patiënt in Frankrijk realtime kan opereren (de Franse chirurg Jacques Marescaux presteerde dat al in 2001), verbaast ons eigenlijk niet meer. We zijn immers bijna allemaal ‘multi present’. Maar als we even afstand nemen van ons dagelijks leven en de mensheid vanaf grote afstand zouden kunnen volgen, zou zichtbaar worden dat ons leven en onze samenleving binnen slechts enkele generaties een ontwikkeling hebben ondergaan van analoog naar digitaal naar networked, naar connected en naar virtueel, ofwel naar het gebruik van representaties van wat we eerder als mensen nog alleen fysiek deden, of waren. Veelzeggend voor de snelheid van zo’n ontwikkeling is de Wet van Moore, die stelt dat het aantal transistors in een geïntegreerde schakeling elke twee jaar verdubbelt. Elke twee jaar twee keer zoveel nullen en enen op een chip. Maar deze wet zegt alleen maar iets over technologie, en niets over mens en maatschappij. Het zegt iets over de bron van verandering, maar eigenlijk niets over de effecten, die we terugzien in de mindset van mensen, hun dagelijks leven, organisaties en maatschappij. Die effecten zijn enorm en veranderen onze samenleving drastisch. De kern van de transformatie zit niet zozeer in de slimme technologieën op zich, maar in de keuze van de mens om er wel of niet iets mee te doen. Wat we zien, is dat deze keuzes leiden tot een steeds steviger verbinding tussen de ‘oude’ fysieke wereld en een ‘nieuwe’ virtuele wereld. Deze ontwikkeling zal doorgaan en de groei van de virtuele wereld zal net als bij Moore met exponentiële snelheid blijven groeien. Eén ding lijkt zeker: de grenzen zijn nog lang niet bereikt. Op termijn zal de virtuele wereld de analoge wereld nagenoeg volledig omvatten. Het is opvallend dat dit proces in feite heel rap en soepel verloopt. Wel beschouwd is het een mooi samenspel tussen digitale technologie (hardware en software) en menselijke brainware, dat ertoe leidt dat het combineren van twee werelden (een fysieke, non-virtuele en een digitale, virtuele) resulteert in één grotere, integraal beleefde realiteit: de belevingswereld van de mens. ‘Internetoptimisten’ zien in deze ontwikkeling een toekomst waarin alle mensen op de wereld met elkaar verbonden worden dankzij sociale netwerken en communicatie. ‘Internetpessimisten’ zien het daadwerkelijke fysieke contact tussen mensen verdwijnen en de sociale context verarmen. Online socializing beschouwen zij als oppervlakkig en als een achteruitgang. In plaats van echte vriendschappen op te bouwen, werkt men bij social media aan promotie van zichzelf en bouwt uren aan een eigen profiel, waarmee alleen een wenselijk beeld van zichzelf wordt getoond. Achteroprakende generaties uit de analoge tijd maken zich verder zorgen over de nieuwe en schijnbaar steeds wisselende indeling in tijd, plaats, ritme, aandacht en interactie, die de toename van virtuele deelrealiteiten in een realiteitenmix meebrengt. Eenvoudig gezegd: als de onderlinge aandacht te pas en te onpas moet worden gedeeld met een smartphone, en mensen steeds ‘verslaafder’ raken aan hun beeldschermen en hun virtuele alter ego’s, dan levert dat voor een ‘bystander’ regelmatig ergernis en frustratie op. Het feit dat er internetoptimisten en -pessimisten zijn, lijkt een keuze te betreffen, namelijk om wel of niet deel uit te maken van een samenleving waarin de virtuele context groeit ten koste van ‘de persoonlijke ontmoeting’. Die keuze is er echter feitelijk niet. Nieuwe virtuele context gaat immers steeds meer op in de ‘ouderwetse echte realiteit’ en we bestaan al lang in beide. Als een individu één integrale realiteit beleeft en deze mentaal opbouwt uit meerdere deelrealiteiten, dan kan hij er hooguit voor kiezen het virtuele deel geen aandacht te geven. Net zoals iemand ervoor kan kiezen geen nieuws of actualiteiten te volgen, terwijl hij er als burger altijd integraal deel van uitmaakt.

 
 

Blog 2. Internet als institutie 

Internet – verbondenheid –  als groeiend deel van ons leven leidt tot prangende vragen op bijvoorbeeld sociaal, economisch en juridisch terrein. Daarbij bestaat de neiging om vraagstukken die spelen in de digitale wereld, te beantwoorden naar analogie van de traditionele wereld. Dit levert lastige kwesties op. Denk bijvoorbeeld aan de wijze waarop overheden omgaan met ruimtelijke inrichtingsplannen (bestemmingsplannen) in de fysieke wereld, waarmee een overzichtelijke wereld is geschapen: van vrijwel elke coördinaat op de aarde is vastgelegd wat de juridische status is. Deze methodiek staat echter haaks op de filosofie achter het wereldwijde web, met onbeperkte ontwikkelruimte en een soort grenzenloosheid. Dit roept allerlei juridische vragen op en het uitgangspunt dat iedereen kan doen wat hij of zij wil, kent uiteraard ook grenzen. De vrijheid op internet is daardoor op sommige plekken in de wereld door overheden flink beperkt. Zelfs het idee van een onbeperkte ruimte is te relativeren; denk aan het (eerder) dreigende tekort aan IP-adressen. Internet kent ook al meer inrichtingsplannen dan we op het eerste gezicht vermoeden. Met het bestaan van domeinen, en de regels die daarvoor gelden, begint internet zelfs al trekjes van de fysieke wereld te krijgen. Een voorbeeld is de wekker die u niet alleen wakker kan maken, maar die ook gebruikt kan worden door uw auto (er moet nog getankt worden), uw agenda (de vergadering op kantoor begint een kwartier later) en de verkeersinformatie (melding van een file). En natuurlijk wordt ook het koffiezetapparaat geïnformeerd over het tijdstip dat de koffie klaar moet staan. Het nadenken over inrichtingsplannen en regels voor internet is in zekere zin nog een taboe. Dit staat namelijk haaks op de eerdergenoemde, door velen ervaren, filosofie van virtuele vrijheid. Misschien is dat juist wel het grootste gevaar. Dat er een illusie van vrijheid bestaat, terwijl ondertussen de politiek-bestuurlijke, sociale en economische systemen vanuit de fysieke wereld worden overgeheveld, zonder dat velen zich daarvan bewust zijn. Aan de andere kant is het wel zo dat de directe toegankelijkheid voor individuen en groepen tot vrijwel elke entiteit op internet, dus ook tot systemen en instituties, ongekend groot is. Positief uitgelegd leidt dat tot meer transparantie, maar andersom geredeneerd kan het doorslaan en leiden tot angst voor extreme vormen van volledige en eeuwigdurende vindbaarheid, zichtbaarheid en verantwoording. Die vrees geldt ook de aanwezigheid van een relatief klein aantal spelers die intussen erg groot geworden zijn en veel van ons weten, zoals Google en Facebook. Misschien is dat een kwestie van wennen, maar waarschijnlijk heeft het effecten die we nu nog onvoldoende overzien. Waarneembaar is ook dat internet kansen biedt voor opponenten van overheden en instituten. Klokkenluiders als WikiLeaks hebben er met internet een kanaal voor wereldwijd bereik bij gekregen. Groepen die cyberaanvallen uitvoeren, vormen intussen een eigen subcultuur, hoewel ze verschillende motieven hebben. Er kunnen bijvoorbeeld politieke drijfveren in het spel zijn, maar aanvallen worden soms ook uitgevoerd door eenlingen, ‘omdat het kan’. Tevens zijn er partijen die zich vanuit economisch belang (zoals de muziek- en filmindustrie) verzetten tegen digitale verspreiding van media. Maar ook hier zien we dat internet uiteindelijk geldt als fenomeen waarop we wel móeten inspelen. Dankzij digitale netwerken zal op termijn zo ongeveer alles wat op aarde aanwezig is, connected zijn. En misschien geldt dat nog wel het meest voor de mens zelf. Niet alleen The Internet of Things, maar ook The Internet of Humans. Dit beeld schrikt veel mensen af, maar desondanks verloopt de acceptatie van alle nieuwe mogelijkheden razendsnel. Veel mensen zijn 24 uur per dag hooguit een meter van hun smartphone verwijderd en zijn er dus bijna letterlijk mee verbonden. Voor dat laatste is van belang dat internet de afgelopen jaren is uitgegroeid van een provinciale weg tot een vierbaans snelweg en dat de bandbreedte steeds verder zal toenemen. Al vanaf 2009 worden er meer laptops verkocht dan desktops, de verkoop van tablets slaat inmiddels alle records en binnenkort zullen velen rondlopen met een smartwatch en Google Glass. Dit is mogelijk dankzij de beschikbaarheid van (steeds sneller) internet op steeds meer plaatsen in de wereld. Voorheen gingen mensen ervoor zitten om ‘het internet op te gaan’, terwijl ze dit nu continu bijna letterlijk in de hand of op hun lichaam hebben. Waar chipdragers ontwikkeld zijn van stand alone naar networked, zijn mensen van stand aside naar connected gegaan. Het gaat connected people absoluut niet meer alleen om bereikbaarheid, zoals vroeger bij de telefoon en e-mail, maar om zaken als assistentie, beleving, socializing, interactie en participatie. De apparaten die een verbinding met anderen mogelijk maken, passen − zoals eerder al gesteld − ook steeds beter bij de mens. De Graphical User Interface (GUI) heeft plaatsgemaakt voor de Natural User Interface (NUI), met een voor de mens heel natuurlijke bediening en met apps die de logica van de zintuigen volgen. In de toekomst zal het aantal zintuigen dat meedoet, ongetwijfeld toenemen; denk aan integratie met spraakherkenning, lichaamsbeweging en eyeware. Met behulp van al deze informatie- en communicatietechnologie is de mens in staat zichzelf te verbinden met digitale omgevingen die voor hem of haar zeer betekenisvol zijn. Dat zien we dan ook terug in de uren die mensen doorbrengen voor een interactief beeldscherm, surfend, gamend, facebookend, twitterend en shoppend. Bedenk daarbij dat niet alleen vrije tijd, maar ook veel werktijd zich voor een beeldscherm afspeelt. Doordat alles met alles verbonden is, lopen allerlei soorten werkzaamheden en contacten dwars door elkaar heen. In werktijd wordt gefacebookt en tijdens de vakantie worden zakelijke e-mails afgehandeld. Sowieso raken mens en technologie steeds meer onafscheidelijk. Op het navigatiesysteem zien we welk restaurant we kunnen bezoeken en waar we kunnen parkeren. Als we willen weten wat voor weer het is, kijken we niet alleen door het raam, maar ook op de smartphone. Aan de eettafel communiceren gezinsleden door met elkaar te praten, maar tegelijkertijd ook via digitale berichten. We bewegen ons in virtuele contexten, waarin we online samenspelen met echte mensen. Het beste van twee werelden…We zijn niet meer ver af van de situatie waarin driekwart van de wereldbevolking 24 uur per dag verbonden is met de digitale wereld. Het sluitstuk van de globalisering. Er zal wereldomspannend worden samengewerkt, ontwikkeld, gewinkeld en gestudeerd, terwijl lief en leed wordt gedeeld met eenieder die het maar lezen of bekijken wil. Bedenk dat van Facebook nu al meer dan 1,2 miljard mensen gebruikmaken. Dat is 82 procent van de online bevolking. Dit proces is gaande en universeel. Misschien wel de meest stille revolutie ooit. Deze digitale wereld is, net als het klimaat, een schil om de aarde, een schil die voor ‘connected people’ net zo essentieel is geworden als het klimaat. Natuurlijk is zichtbaar dat verschillende generaties anders omgaan met technologie, maar een generatieconflict zoals we dat kennen uit de jaren zestig, is het zeker niet. Het beeld van het kind op de basisschool, dat de juf helpt met de techniek van het nieuwe digiboard, is veelzeggend. En het is zeker niet zo dat oudere generaties massaal het nieuwe afwijzen. Velen proberen daar juist zelf − als digital immigrants − in mee te komen. Zo levert de nieuwe internetwereld veel nieuwe kennis, contacten en netwerken op, en dat wereldwijd.
 
 
 

Blog 1. De vierde Orbit Ring

Als we de mensheid op aarde de afgelopen decennia vanaf een afstand hadden kunnen volgen, zou zichtbaar worden dat onze samenleving binnen slechts enkele generaties aan het digitaliseren, social medialiseren en virtualiseren is. Het bijzondere daaraan is niet zozeer de techniek, als wel het almaar toenemende tempo waarin het gebeurt. Het betreft een omvangrijke transitie, die niet − zoals meestal wel bij revoluties − schoksgewijs gaat en ook geen grote krantenkoppen oplevert, maar die haast ongemerkt, doch razendsnel plaatsvindt. Dankzij het ontstaan van digitale en virtuele contexten neemt het aantal realiteiten waaruit de mens kan kiezen, enorm toe.De invloed van technologie op ons dagelijks bestaan, en misschien wel op ons mens-zijn, blijft maar toenemen. De ontwikkeling op dit gebied is de afgelopen decennia ongelooflijk snel gegaan. In een iPhone zit meer rekenkracht dan in de computers die in 1969 door de NASA bij de maanlanding werden gebruikt. De zwart-wittelevisie waarmee oudere generaties de eerste stappen op de maan konden volgen, is vervangen door 3D high definition videokwaliteit met honderden kanalen. De krakende langspeelplaat is vervangen door een stream, de kerstkaart door een tweet, de landkaart door een navigatiesysteem en duur intercontinentaal bellen door skypen. Digitale technologie is inmiddels doorgedrongen tot vrijwel alle apparaten, of het nu om een horloge, koelkast of auto gaat. Het is dus al lang niet meer alleen de computer die digitale chips bevat. Wat opvalt, is dat al deze technologie zich in de loop der jaren steeds meer is gaan voegen naar de logica van de mens: niet alleen fysieke, maar ook psychologische ergonomie. Apparaten zijn aangepast aan doel en gevoel. De swipe op tablets, smartphones en phablets is daarvan een treffend voorbeeld. Inmiddels zijn er al protheses die door de mens met het brein zijn te besturen, en zelfs ‘chiptatoeages’ die het menselijk lichaam permanent in de gaten kunnen houden. Waar we nu nog van ergonomie spreken, zal in de toekomst steeds meer sprake zijn van integratie tussen lichaam, geest, hard- en software. In 1964 werd in het kader van de wereldtentoonstelling in New York de Unisphere gebouwd, met bijna 37 meter doorsnee de grootste globe op aarde. Het thema van de tentoonstelling was ‘vrede door begrip’ en werd opgedragen aan ‘de prestatie van de mensheid op een krimpende aarde in een uitzettend universum’. Met de Unisphere werd het begin van het ruimtetijdperk (Space Age) gevierd. Drie grote ringen omcirkelen de globe. Deze ringen symboliseren de banen van Yuri Gagarin (eerste mens in de ruimte), John Glenn (eerste Amerikaan in een baan om de aarde) en de Telstar (eerste communicatiesatelliet). De Unisphere kreeg in 1995 de monumentenstatus. In de jaren zestig dacht men bij een uitzettend universum vooral aan de groeimogelijkheden buiten de aarde. Het heelal, en vooral de planeten in de buurt van de aarde, als uitwijkpost voor de mensheid. Een intrigerende ontdekkingsreis, die ook vele film- en televisiemakers wist te inspireren. Centraal stond in die tijd dan ook het exploreren van de fysieke ruimte, maar men realiseerde zich niet dat er veel dichterbij nog een andere oneindige ruimte is, de virtuele ruimte. De ‘snelheid van het licht’ werd geassocieerd met lichtjaren, en zeker nog niet met glasvezel. Als we de Unisphere in de huidige tijd hadden gebouwd, waren er vast meer ringen geweest. De ‘prestatie van de mensheid op een krimpende aarde’ zouden we tegenwoordig vooral koppelen aan de cyber space, de digitale ruimte op internet. Deze nieuwe ruimte is, net als het heelal, oneindig. Ook deze ruimte kunnen we zien als een ring rond de aarde, die alle werelddelen, mensen en organisaties met elkaar verbindt, zoals de analoge Telstar eigenlijk ook al een beetje deed. Deze vierde Orbit Ring zou, als we de Unisphere opnieuw mogen ontwerpen, toegevoegd worden als symbool voor de wereldwijde verbondenheid via internet.
Hoewel we ons dat niet vaak realiseren, is het de digitale opslagcapaciteit die voor enorme stroomversnellingen heeft gezorgd. Er waren tijden dat opslagruimte schaars en dus duur was. Dat noodde zelfs tot een van de grootste operaties ooit om een wereldwijde crisis te voorkomen: Y2K (de millenniumbug). Het voorbije decennium zijn de mogelijkheden voor digitale opslag van data echter enorm toegenomen, waardoor steeds meer historische informatie van analoge dragers kan worden omgezet naar digitale. Zo zijn bijna alle analoge langspeelplaten tegenwoordig beschikbaar als digitaal bestand. Het project Google Books heeft zelfs als doel om elk boek in de wereld te scannen en te digitaliseren; inmiddels zijn al miljoenen boeken digitaal ontsloten. Ook musea bieden inmiddels menig beroemde meester in een geweldige high resolution aan op hun website; beter te bekijken dan het origineel. Al die opslagruimte wordt trouwens niet alleen gevuld met historisch materiaal, maar vooral met nieuwe informatie. Dagelijks produceren burgers, overheden en bedrijven er gigantische hoeveelheden van. In 2002 werd het omslagpunt bereikt. Vanaf dat moment werd in heel de wereld meer digitale dan analoge informatie opgeslagen. Slechts vijf jaar later was nog maar zo’n 5 procent van alle data analoog. Elke honderd dagen produceert de mens evenveel data als dat er verzameld zijn vanaf de oudheid tot aan 2007 en niet minder dan 90 procent van de beschikbare data is pas vanaf 2012 geproduceerd. Deze ontwikkeling heeft onder andere als effect dat de ‘geheugens’ van computers leidend aan het worden zijn in de bepaling of iets bestaat of niet. Iets wat niet gedigitaliseerd is, dus niet in databases te vinden is, bestaat in de beleving van veel organisaties en overheden vaak ook niet (meer). Sterker nog: onze door de overheid verleende, menselijke (of dierlijke) identiteit is geheel gebaseerd op informatie uit die databases. Er zijn verhalen bekend van mensen die slachtoffer zijn geworden van identiteitsfraude of zelfs identiteitsdiefstal. Het blijkt dan haast onmogelijk om de systemen weer in overeenstemming te krijgen met de werkelijkheid. Als iemand zich meldt voor het loket van een officiële instantie, wordt wel de database geloofd en niet de persoon die voor het loket verschijnt. Een bijna bizarre omkering van de verhouding tussen mens en machine. Er is naast opslagcapaciteit nog een andere belangrijke randvoorwaarde voor de digitale revolutie: netwerktechnologie. Alles waar een chip in zit, is in de meeste gevallen getransformeerd van stand alone naar networked. Eerst via fysieke kabels, maar inmiddels steeds meer draadloos dankzij standaarden als bluetooth, wifi, 4G, et cetera. Daarbij gaat het al lang niet meer alleen om rechtstreekse verbindingen tussen toestellen, maar vooral ook om connecties via internet. Het duurt dus niet lang meer of onze analoge wereld is geheel afgedekt door digitale netwerken. Typ maar eens de naam in van een willekeurige wereldburger en de kans is groot dat u een foto van deze persoon vindt. Of typ uw eigen naam in bij een zoekmachine en ontdek hoeveel informatie er over uzelf is. Ieder mens laat continu een digitaal spoor achter. Langzamerhand bestaat er dus meer digitale dan fysieke werkelijkheid. Het gaat inmiddels om zulke omvangrijke hoeveelheden data dat het concept ‘big data’ zijn intrede heeft gedaan. Dit is qua omvang, bandbreedte en diversiteit zo big dat een gangbaar databasesysteem het niet meer aankan en er complexe technieken moeten worden ingezet om iets met deze schat aan informatie te kunnen doen.